Kerkje van Fransum


Bestaat nog god, kleine sarkofaag

van het geloof, even leeg

als de dorische tempels van Paestum:

hun zuilen een schuilplaats voor andere vogels

dan goden – als ik naar hem vraag?


Kleine mummie van steen,

zonder hart, tabernakel,

zonder plaats voor een wijkaars, bescherm je

met jouw lichaam ons landschap

als bodem voor hemel? Ik vraag maar.


Stille klankkast voor buiten, voor grutto’s

in juni, het loeiende melkvee bij ’t hek –

zo gesloten, een avond, ik zit in het gras

tussen jouw zerken, zo ben je het mooist:

dicht, van het uitblijvend antwoord de schrijn.


C.O. Jellema, maart 1995